Inleiding


Onze aarde is ontstaan uit een supernova-explosie (Bron)

Na een supernova-explosie van een zeer grote ster werd onze zon gevormd. De overblijvende oernevel begon samen te trekken tot grote brokstukken die later de planeten hebben gevormd. De primaire atmosfeer van de vier binnenplaneten (waaronder de aarde) bestond hoofdzakelijk uit waterstof en helium. De zonnewind heeft deze gassen weggeblazen. Door de afwezigheid van een atmosfeer werd de aarde vloeibaar om in een later stadium te stollen. Door de vorming van gesteenten en door vulkaanuitbarstingen werden er gassen gevormd. De zo opgebouwde secundaire atmosfeer bestond uit waterstof, stikstof en koolzuurgas. Door condensatie werden er oceanen gevormd die een deel van het koolstofdioxide absorbeerde. Het koolstofdioxide
gehalte in de atmosfeer daalde. Door de ontwikkeling van het leven ging dit proces nog verder.

Geleidelijk aan evolueerde de atmosfeer tot haar huidige unieke samenstelling: een mengsel van gassen ( = lucht) en een geringe hoeveelheid vloeibare of vaste deeltjes, die in deze lucht zweven en meer of minder snel vallen.

De atmosfeer ligt als een mantel (tot 1000 km) rond de aarde en kan niet ontsnappen uit onze aardse atmosfeer door de zwaartekracht van de aarde. Deze gassen worden op grote hoogte langzaam dunner en uiteindelijk houdt de dampkring helemaal op. Daar rond bevindt zich de ruimte.

1/2 - 2/2